Afbreekregels

Het plaatsen van afbreektekens

Voor het plaatsen van afbreektekens worden in hoofdstuk 5.2 Het afbreekteken van de Leidraad in het Groene Boekje van 1995 door Jan Renkema zes regels gegeven. Als NTG werkgroep Spelling hebben we deze regels hier in een iets andere vorm gegoten.

Om alle afbreekplaatsen in een woord te vinden, moeten eerst alle samenstellingen (1) en afleidingen (2) in dit woord worden afgebroken. De resterende afbreekplaatsen kunnen dan worden gevonden door de regels onder punt 3 toe te passen.

  1. Afbreekplaatsen in samenstellingen
  2. Afbreekplaatsen in afleidingen
  3. Afbreekplaatsen in woorddelen
Als voorbeeld nemen we ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties. Dit lange woord is een samenstelling van ontwikkelings·samenwerkings·organisaties. De eerste afleiding valt uiteen in ont·wikke·ling, de tweede samenstelling in samen·werking en het laatste woord in or·ga·ni·sa·ties. Vervolgens laat zich wikke afbreken tot wik·ke, samen tot sa·men en werking tot wer·king volgens de regels onder 3. Alle afbreekplaatsen van dit woord zijn dus: ont·wik·ke·lings·sa·men·wer·kings·or·ga·ni·sa·ties.

Deze afbreekplaatsen kunnen ook worden bepaald met behulp van het door Piet Tutelaers geschreven programma hyphenate dat hiervoor gebruik maakt van de TeX afbreekpatronen voor onze nieuwe spelling. In de woordenlijst woorden.max (ongeveer 3 megabyte) zijn de afbreekplaatsen expliciet aangegeven (behalve bij trema's en apostrofs).

Samenstellingen

Een samenstelling is een woord dat bestaat uit twee of meerdere gelijkwaardige delen waartussen we mogen we afbreken. Eventuele tussenletters blijven bij het voorafgaande woorddeel. Voorbeelden: drie·hoeks·verhouding, flap·uit, meester·knecht, noten·kraker.

Voor samenstellingen van Griekse en Latijnse herkomst die niet meer als zodanig herkend worden, gelden afwijkende regels.

De volgende woorden zijn geen samenstellingen, ondanks het feit dat ze uit gelijkwaardige woorddelen bestaan: embryo·loog, ei·eren, vrije·rij.

Afleidingen

Tot de afleidingen rekenen we woorden
  • beginnend met een voorvoegsel, zoals her·indeling, on·terecht, ver·ontrust en ge·werkt
  • eindigend op een achtervoegsel, zoals boom·pje, duur·ste, klein·tje, dek·sel en was·ster.
Het afbreekteken komt vóór respectievelijk achter het grondwoord.

Voor afleidingen van Griekse en Latijnse herkomst die niet meer als zodanig herkend worden, gelden afwijkende regels.

In afleidingen waarbij het achtervoegsel met een klinker begint zoals bijvoorbeeld in kou·welijk, tui·nier en zie·lig, gaat één medeklinkerletter mee naar de volgende lettergreep. Op deze regel zijn drie uitzonderingen:

  1. De medeklinkerletter gaat niet naar de volgende lettergreep bij woorden op -achtig, zoals geel·achtig
  2. De medeklinkerletter gaat niet naar de volgende lettergreep bij woorden op -aard, zoals laf·aard en wreed·aard, maar weer wel bij bas·taard, do·daar, grijn·zaard en Span·jaard.
  3. Als het grondwoord eindigt op een medeklinkerletter plus -st, dan gaat st mee naar de volgende lettergreep: afkom·stig, gebar·sten.

Verkleinwoorden op -tje krijgen ten gevolge van het afbreken hun oorspronkelijke grondvorm terug: baby'tje wordt baby·tje, vlaatje wordt vla·tje, cafeetje wordt café·tje. Uitzonderingen vormen woorden op -ade en -ine: nomaad·tje, machien·tje.

Enkelvoudige woorden of woorddelen

Voor enkelvoudige woorden of woorddelen gelden de volgende regels:
  • Er mag geen alleenstaand klinkerteken komen vóór of achter het afbreekteken. Dus niet: a·drenaline, studi·o, mensa·pen en vide·oachtig.
  • De y blijft bij het eerste woorddeel: roy·aal
  • Tussen twee opeenvolgende klinkerletters mag worden afgebroken wanneer die samen niet één klank symboliseren, zoals eu, oe, ui, aai, ooi, oei. Bijvoorbeeld: ambi·eert, lui·er, koei·en, ri·ool.
  • Bevinden zich in een woord meerdere klinkertekens die zijn gescheiden door één of meerdere medeklinkerletters, dan gaan zoveel mogelijk van deze medeklinkers naar de volgende lettergreep: wa·ter, ka·trol, indu·strie.
    De uitspreekbaarheid van de lettergrepen vóór en achter het afbreekteken mag hierbij niet worden belemmerd. Dus niet am·bten maar amb·ten, niet harink·je maar harin·kje.
    Ook mag het afbreekteken er niet voor zorgen dat het woord anders wordt uitgesproken, dus niet pi·stool maar pis·tool.
    Verder gelden de volgende afspraken:
    1. st en sp worden afgebroken na de s: naas·te, mees·ter, mis·pel, Os·pel.
    2. ch telt als één medeklinker: la·chen, ri·chel.
    3. ng telt als twee medeklinkers: konin·gin.
    4. tussen een x en een klinker wordt niet afgebroken. Dus niet: ex·amen maar exa·men, niet bu·xus maar buxus, niet cla·xon maar claxon.

    Bij woordafbreking vervalt het trema: ruïne wordt ru·ine.

Samenstellingen en afleidingen van Griekse en Latijnse herkomst

Hiervoor wordt onderscheid gemaakt in
  • woorden waarvan het Griekse en Latijnse deel als zodanig worden herkend
  • woorden waarvan het Griekse en Latijnse deel niet meer als zodanig worden herkend
In het eerste geval wordt afgebroken vóór of achter het grondwoord, zoals bio·sfeer en niet bios·feer, trans·actie en niet tran·sactie.

In het tweede geval volgens de regels die gelden voor normale woorden bios·coop en niet bio·scoop, tran·sept en niet trans·ept. mo·narchie en niet mon·archie, pa·norama en niet pan·orama.